Sprookje 7: hou vol: er komen e-nor-me tekorten op de arbeidsmarkt

‘Er zijn meer werkuren nodig, dus we zullen meer uren per week en meer weken per leven moeten werken. Hogere arbeidsparticipatie dus. Gelukkig is er nog alle ruimte voor dergelijke groei. (…) Met een werkweek van gemiddeld 35 uur doet de werkende Nederlander het veel rustiger aan dan werknemers in andere landen. Een Zweed werkt 38 uur, een Italiaan 40 uur en een Pool 42 uur. Zelfs de Grieken werken meer.’ Veel economen redeneren op die manier, we zouden zo onze concurrentiepositie vergroten. D66 stelde in 2012 een verplichte terugkeer naar de 40-urige werkweek voor.

De primitiviteit van die gedachte verbaast me (net als dat er economen zijn die cijfers van Zuid-Europese landen serieus nemen). Het achterliggende idee is namelijk: we maken nu één product per uur, dus moeten we voortaan twee uur werken, dan kunnen we twee stuks maken. Geen woord over de markt: of we die producten nodig hebben/wel kunnen verkopen. Geen woord over slimmer werken en een hogere arbeidsproductiviteit. Economen hebben het altijd over arbeidsdeling en efficiency – alleen in dergelijke pleidooien nooit. Is economie de wetenschap van het selectief vergeten van wat je een minuut geleden hebt gezegd?

Gedurende de twintigste eeuw blijkt het simpelweg steeds minder noodzakelijk het grootste deel van de bevolking in te zetten voor onze eerste levensbehoeften. Dat zou economen kunnen aanspreken. De arbeidsproductiviteit in de westerse wereld is in 2000 tien keer zo hoog als 100 jaar eerder. Dit heeft enorme gevolgen:

Jongeren kunnen op latere leeftijd beginnen met werken en langer onderwijs volgen;

  • Ouderen kunnen op jongere leeftijd stoppen;
  • De werkweek wordt korter. Werkte een voltijder in 1900 nog gemiddeld 60 uur per week, in 1960 was dat rond de 45 en in 1975 zo’n 40 uur. Momenteel ligt de werkweek van de gemiddelde Nederlandse voltijder op circa 37 uur.
  • Het soort werk verandert: in de landbouw, visserij, delfstoffenwinning, industrie en bouw – de zogeheten primaire en secundaire sector- verdween tussen 1900 en 2000 driekwart van de banen. De maakindustrie verdween voor een fiks deel naar het goedkope buitenland;
  • De visie op werk wordt anders: werk kon als leuk en zinvol worden gezien – veel vuil werk is verdwenen.
  • We zijn door de mechanisering ook minder gaan bewegen, spannen ons minder in. Overgewicht neemt in dezelfde periode ook flink toe.

Meer en harder werken is een race die we niet kunnen winnen. Onze economie heeft alle arbeidstijdverkortingen voor voltijders uitstekend overleefd: van de 90plus-urige werkweek van de fabrieksarbeiders (eind 19e eeuw) tot 65 uur (rond 1900) naar 40 uur (1975), naar 35 uur (2014).

In economisch opzicht is het dus juist logischer minder uren te draaien in plaats van meer.

(…)

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s