De strijd van CW Rietdijk

Afbeelding

Wim Rietdijk

 

Rudy Kousbroek mocht hem dan ooit een ‘infantiel wereldbeeld’ aanwrijven, er waren en zijn nog steeds liefhebbers van het werk van natuurkundige en cultuurfilosoof dr. C.W. Rietdijk. Onder hen ikzelf, maar bijvoorbeeld ook televisie- en radiomaker Jan van Friesland. Deze publiceerde Einsteins god dobbelt niet (Aspekt, 2012) waarin hij Rietdijk allerlei vragen stelt over met name diens radicale natuurkundige werk. Journalist Kees Sluys schreef in 1995 naar aanleiding van Rietdijks magnum opus The Scientifization of Culture een beschouwing over het maatschappijkritische werk van Rietdijk. Deze is nog niet eerder gepubliceerd. Van Sluys mocht ik het hier plaatsen, waarvoor mijn grote dank. Voor nog meer informatie over Rietdijk, zie:

http://bcb.home.xs4all.nl/rietdijk.html

Lichtkogels in de duisternis : Over het maatschappijkritische werk van C. W. Rietdijk

door Kees Sluys

Waarom krijgen sommige publikaties niet de aandacht die ze verdienen? Zou het te maken kunnen hebben met de stelling die George Orwell poneerde in het voorwoord van ‘Animal Farm’? Hij schreef: ‘At any given moment there is an orthodoxy, a body of ideas of which it is assumed that all right-thinking people will accept without question. It is not exactly forbidden to say this, that or the other, but it is “not done” to say it… Anyone who challenges the prevailing orthodoxy finds himself silenced with surprising effectiveness. A genuine unfashionable opinion is almost never given a fair hearing, either in the popular press or in the highbrow periodicals.’

Orwells weinig bemoedigende constatering gaat ongetwijfeld op voor de tegen de stroom inroeiende geschriften van dr. C. W. Rietdijk – die ook niet nalaat de lezer te doordringen van de onrechtvaardigheid ervan.

Hoe terecht Rietdijks klacht is, blijkt overigens wel uit de ontvangst van diens in september 1994 verschenen magnum opus The Scientifization of Culture – Thoughts of a physicist on the techno-scientific revolution and the laws of progress. Weliswaar volgde al snel een interview met Elsevier en een radiogesprek voor de AVRO-radio, van een ‘faire’ benadering was evenwel nauwelijks sprake. Al berustte in deze gevallen het gebrek aan fair play niet op onwil als wel op onkunde: Elsevier-interviewer Hugo Camps, die wel parmantig schreef over de ‘600 dichtbedrukte pagina’s’, maakte op geen enkel moment de indruk het boek gelezen te hebben, en de machteloze pogingen van radio-interviewer Dick Poons… ach, het was goed bedoeld, zullen we maar zeggen.

Tot zover de ‘populaire pers’.

Ernstiger is de oorverdovende stilte die tot dusverre bleef aanhouden in ‘high-brow’-periodieken als onze (toonaangevende) politiek-culturele tijdschriften, de serieuze weekbladpers en, last but not least, dagbladen als Volkskrant, Trouw en NRC/Handelsblad. Waarom wijdde bijvoorbeeld Jaap van Heerden destijds wel, in Vrij Nederland, een forse beschouwing aan Dessaurs ‘De droom der Rede’ en is hij, kennelijk, niet geïnteresseerd in The Scientifization, waarin – toegegeven – van een door de Rede veroorzaakte nachtmerrie inderdaad geen sprake is; het zijn veeleer glanzende perspectieven die Rietdijk schetst.

Het is een vraag die des te meer klemt wanneer men zich realiseert dat Van Heerden – toch een man die net als Rietdijk veel vertrouwen stelt in de wetenschap – althans een gedeelte van The Scientifization onder ogen heeft gehad. 1) 2)

Maar vervolgens: doodse stilte.

Is er dan echt niemand die The Scientifization heeft bestudeerd, althans gelezen? Ja, toch wel. De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat Frans Boenders het in een BRT-radiogesprek met Rietdijk, najaar 1994, een ‘indrukwekkend boek’ noemde. En dat het tweede nummer, jaargang 1995, van Civis Mundi geheel in het teken stond van het thema ‘De rede ter discussie’ waarbij Rietdijks boek als uitgangspunt diende. Bij die gelegenheid sprak staatsrechtgeleerde S. W. Couwenberg van een ‘magistraal werk’ resp. ‘een levenswerk van grote allure’, terwijl historicus E. M. Janssen Perio weinig voor hem onder deed met kwalificaties als ‘imposant’ en ‘boeiend’.

Niettemin, de eerlijkheid gebiedt ook te zeggen dat de impact en het bereik van deze ‘vriendelijke critici’ (aldus Rietdijk in zijn nawoord in Civis Mundi) op zijn best gering kan worden genoemd.

Teleurstellender is de aanpak in genoemde aflevering van Civis Mundi, met name het feit dat de discussie verder beperkt bleef tot een kringetje filosofen rond samensteller Paul Cliteur. Hoe interessant zou het niet zijn geweest om ook een fysicus, een psycholoog, een socioloog en een econoom zijn of haar visie te laten geven op één of meerdere hoofdstukken van het boek, dat op al die terreinen veel zinnigs heeft te vertellen. Hoe interessant zou het niet zijn geweest om in ieder geval een enigszins compleet beeld te schetsen van wat Rietdijk in die 600 bladzijden wil vertellen. Dan zouden termen als ‘magistraal’ en ‘imposant’ pas werkelijk op waarde geschat kunnen worden. Dan zou (misschien) pas werkelijk blijken wat Rietdijks theorieën op deze uiteenlopende gebieden waard zijn. Nu werd, zoals de schrijver zijn welwillende, en soms bevriende, opponenten terecht verweet, buitenproportionele aandacht besteed aan de geest van zijn werk (dat inderdaad staat in de veelbekritiseerde traditie van de Verlichting, van het Vooruitgangsdenken) en veel te weinig aan zijn analyse van de malaise in het hedendaagse denken en aan de concrete voorstellen in de richting van de werkelijk rationele – en tegelijkertijd religieuze – wereld zoals hij die voor zich ziet.

Het is een klacht die Rietdijk vaker heeft geuit en die veel, zo niet alles, te maken heeft met een aantal ongewoon-provocerende aspecten in zijn werk, waaraan men, lijkt het, maar liever voorbijgaat.

Ook daarom lijkt het me nuttig, alvorens toe te komen aan een bespreking van een paar essentiële punten uit The Scientifization, in te gaan op de eerdere geschriften van Rietdijk, die alles bij elkaar als voorboden hebben gefungeerd van het inderdaad imposante levenswerk van een nimmer op waarde geschatte geest.

+++++++++++++++

Wie voor het eerst kennismaakt met geschriften van Rietdijk loopt de kans door tegenstrijdige gevoelens te worden bevangen. Althans, dat gebeurde mij, nadat ik rond 1980 het eerste deel van zijn tweedelige werk De contrarevolutie tegen de rede (1975/1977) had aangeschaft.

Waarom eigenlijk kocht ik een boek van een auteur die bij verschijnen in Vrij Nederland nog zo volstrekt was neergesabeld door de toen nog veelvuldig boeken besprekende Maarten ‘t Hart. Waarom wilde ik eigenlijk iets lezen van een auteur die, zo verzekerde mij vele jaren later een collega die het weten kon, überhaupt niet werd verkocht? 3)

Dat ik De contrarevolutie voor de daadwerkelijke koop een paar keer inkeek had te maken met de intrigerende titel én met het feit dat het in de Athenaeumboekhandel in een speciale kast stond naast al die andere mooie Athenaeum paperbacks, waaronder Den Hollanders ‘Het démasqué in de samenleving’, Hayakawa’s ‘Symbool status en persoonlijkheid’, Fens’ (ea) ‘Literair Lustrum’ en Theo Kars’ ‘De valse baard van Anatole France’.

Tijdens dat doorbladeren werd mijn aandacht vooral getrokken door de reeks aforisme-achtige stellingen die ruim een kwart van de 218 pagina’s in beslag namen. Driehonderd in getal, gerangschikt onder de noemer ‘Lichtkogels’. Toon en inhoud ervan waren even ongebruikelijk als agressief, en illustreerden fraai de tekst op de binnenflap, die ook al krachtig inzette: ‘Een van de meest deprimerende aspecten van onze tijd is het feit dat er vrijwel geen aanstootgevende boeken verschijnen. Komt dit omdat er geen taboes meer zijn om overtreden te worden? Rietdijk – door een recensent “een hedendaagse Voltaire” genoemd, en in Propria Cures schrijver van “het eerste post-christelijke boek voor Nederland” – bewijst het tegendeel (…)’

Wat had deze hedendaagse Voltaire zoal voor aanstootgevends te melden? Na eerste lezing kon ik niet anders concluderen dan dat hier een uiterst kille, rationele figuur aan het woord was, die wonderlijk genoeg op diverse plekken zijn mond vol had van ‘gevoel’. Neem Lichtkogel 154:

Misschien wel het grootste gebrek van de natuur is dat onaardige mensen niet vanzelf doodvallen. Het corrigeren van dat gebrek zal dan ook een van de grootste triomfen van de wetenschap zijn. Hoewel, voorkomen is beter dan genezen.’

Maar in Lichtkogel 268 liet hij zich plotseling van een geheel andere kant zien:

Zodra de mensen zich werkelijk volgens de moraal van de bergrede, van de naastenliefde, zouden gaan gedragen zouden de sekstaboes in korte tijd verdwenen zijn: niemand zou meer bang behoeven te wezen om zijn gevoelens aan anderen te laten blijken, om gekwetst te worden.’

Naastenliefde prediken en in één adem door bepaalde medemensen dood wensen. Klopte daar iets niet? Of zat er toch een systeem in deze Voltaire, die ook graag – het was één van de niet meteen begrepen programmapunten – ‘de ratio (wilde) doortrekken tot in het intieme’.

De meest onthutsende teksten stonden echter zonder twijfel te lezen in het afsluitende hoofdstuk van deel 2 dat ik korte tijd later toch ook had aangeschaft en als titel droeg: ‘Een nieuwe concretisering van links’. Waarin de schrijver een program opstelt dat zou kunnen dienen ‘als basis voor een moderne vooruitstrevende partij’.

Het druiste in tegen alles wat door de goegemeente als ‘links’ werd bestempeld (op het gebied van economie, democratie, onderwijs, criminaliteit enzovoorts) en werd regelrecht schokkend in de op één na laatste paragraaf, ‘de emancipatie van de mens’ behelzend. Daarin werd zonder blikken of blozen gepleit voor het voeren van een kwalitatieve bevolkingspolitiek, ‘onder meer door sterilisatie van zwakbegaafden en andere genetisch duidelijk onvolwaardigen, en door aan het opleidingsniveau gekoppelde, sterk positieve resp. negatieve kindertoelagen met de strekking de geboorte van begaafden te bevorderen en die van weinig begaafden tegen te gaan.’

Voorts leek het de schrijver raadzaam een zaadbank in te stellen ‘met sperma van hoogbegaafde, welgeschapen mannen waarvan kwalitatief geschikte vrouwen’ gebruik zouden kunnen maken, en werd last but not least ook nog een lans gebroken voor: ‘toepassing van euthanasie op geestelijk of lichamelijk ongelukkig geborenen, op ongeneeslijk geestelijk ernstig gestoorden en op andere ongeneeslijk zieken die dit wensen.’

Hoe was dit te rijmen met de door hem beleden ‘naastenliefde’ en met de ‘bergrede’?

Had Maarten ’t Hart dan toch gelijk gehad toen hij in zijn bespreking van deel 1 Rietdijk had afgeschilderd als een reactionaire bijna-fascist. Was deze man, die, aldus ’t Hart, ‘in de menselijke genen wil gaan knoeien om superbreinen te kweken (…)’ dus inderdaad ‘óf ontstellend naïef óf bijzonder gevaarlijk’?

Eerlijk gezegd leek me dat ’t Hart de portee van het boek niet begrepen had en daarom maar voor de makkelijkste weg had gekozen. Want Rietdijk had naast twijfelachtige uitspraken natuurlijk ook veel behartenwaardigs te vertellen. Ambivalente gevoelens kortom. Misschien dat zijn eerdere werk meer duidelijkheid kon verschaffen.

++++++++++++++++++

In 1959 reeds publiceerde Rietdijk (geboren in 1927) zijn eerste maatschappijkritische werk: Vooruitgang, Cultuur en Maatschappij. Een even ongewoon als monumentaal werk van de 31-jarige doctor in de wis- en natuurkundige, dat in nogal wat opzichten als niet-rijpe voorloper van The Scientifization kan worden beschouwd.

Dat het een ongebruikelijk boek was, wordt al duidelijk uit het voorwoord dat de uitgever (L. Stafleu, Leiden) liet opnemen en waarin hij meedeelt dat hij ‘in bepaalde opzichten de inzichten van de auteur niet deelt.’

Een gang van zaken die aangeeft dat hier harde noten gekraakt zullen worden en waaruit mag blijken dat Rietdijk van meet af aan een heel aparte positie inneemt. Toch, hoe hard die noten ook waren, en hoe strijdlustig Rietdijk zich toen al soms genoodzaakt zag uit de hoek te komen, de schrijver is dan nog optimistisch gestemd over een vruchtbare dialoog met onder andere ‘vakpsychologen en sociologen’. En al is hij wel zo reëel om op bepaalde punten ‘grote weerstanden’ te verwachten, hij spreekt niettemin de hoop uit dat een ‘eventueel ontstane polemiek dezelfde geest van welwillendheid moge ademen, als ook in de persoonlijke relaties tussen mensen ideaal moet worden gesteld.’

Dit, in de allerlaatste regels van Vooruitgang, Cultuur en Maatschappij uitgesproken vertrouwen, is eigenlijk zijn hele leven wishful thinking gebleven; zelden werd er – serieus – op zijn werk gereageerd, althans door mensen uit diverse wetenschappelijke disciplines, mensen ‘die er verstand van hebben’; en als er eens een oordeel werd uitgesproken, dan was het niet zelden in spottende zin of anderszins onbevredigend.

En al laat hij zelfs in eerdergenoemde aflevering van Civis Mundi nog weten dat hij ‘geen dag ooit bedrukt (is) door het negeren van mijn werk door in-crowd en trendvolgers’, het moet zijn afkeer van de groep (een paragraaf in De contrarevolutie is getiteld: ‘Waarom ik niet bij de klup ben’) extra gevoed hebben en verklaart ongetwijfeld mede de fellere toon in volgende geschriften.

Vooruitgang, Cultuur en Maatschappij is een ambitieuze onderneming. Doel is niets minder dan een onderzoek in te stellen ‘naar de voornaamste individuele en maatschappelijke krachten, die de ontwikkeling en de verschijningsvorm van de (westerse – ks) samenleving en de cultuur bepalen.’

Hij doet dat door zich te verdiepen in wat volgens hem de kernproblemen zijn in de psychologie, de sociologie, de politiek, de economie, de parapsychologie en in zingevingsvragen de ‘bestemming van de mens’ betreffende. Op al deze gebieden ontwikkelt hij zijn eigen theorieën in plaats van, zoals zo vaak gebeurt, eindeloos in te gaan op andermans gedachtenspinsels.

Groot, bijna onbegrensd, is zijn vertrouwen in de wetenschap. Die is ‘ipso facto’ rationalistisch en poogt ‘om tot controleerbare feiten te komen, met behulp van om het even welke menselijke vermogens.’ (pag. 12). Belangrijk in dit verband is – het geeft al aan dat we hier niet met het type kortzichtige rationalist te maken hebben dat later doelwit van bijvoorbeeld Dessaur in haar ‘De droom der rede’ zou worden – de waarschuwing dat wanneer men bijvoorbeeld ‘het uitbreken van een hartstocht of een parapsychologisch verschijnsel irrationeel noemt’, daarmee ten onrechte wordt gesuggereerd ‘dat wij hier met een minder “zakelijk” feit te doen zouden hebben dan bij de uitbarsting van een vulkaan.’ (pag. 13/14). Kortom: alles is in principe te onderzoeken, niets valt buiten het domein van de wetenschap. 4)

Daar komt nog bij – in The Scientifization zal hij er keer op keer op terugkomen – dat door bepaalde verschijnselen uit de ‘zakelijke’ sfeer te houden al ‘bij voorbaat onverklaarbaarheid, onberekenbaarheid of oorzaakloosheid’ wordt gesuggereerd. Verschijnselen irrationeel noemen is m. a. w. verschijnselen onttrekken aan kritisch onderzoek. (hetgeen ook betekent dat sommige zaken niet ontmaskerd kunnen worden; ziehier de reden waarom Rietdijk zich ‘links’, ‘vooruitstrevend’, ‘progressief’ kan noemen).

Rietdijk maakt hier ook al een uitstapje naar de quantummechanica, een onderwerp waar hij in latere geschriften steeds weer, en steeds uitgebreider, op terug komt. Ook op dit gebied loopt hij niet in de pas met de natuurkundige goegemeente; uit de ‘ongedetermineerdheid’ van bepaalde atomaire processen weigert hij vooralsnog te concluderen dat er dus van werkelijk indeterminisme sprake is. Hij acht zoiets althans ‘zeer voorbarig’. 5) Rietdijks deterministische uitgangspunt is in staat een ‘meer wetenschappelijke interpretatie te geven van wat men wel het “Goddelijk Plan” noemt. (pag. 25). Zijn deterministische overtuiging komt hem ook goed te stade waar de vraag naar de zin van het leven aan de orde komt. Die vraag valt, aldus Rietdijk (pag. 422) ‘volkomen samen met de vraag, of het wereldgebeuren erop is gericht, althans uiteindelijk het geluk van levende wezens te verwerkelijken.’ Waarmee, zo voegt hij er in één adem aan toe, ‘zeer vele vraagstellingen en beschouwingen over de zin van het wereldgebeuren tot schijnproblematiek en schijnredeneringen (worden).’ 6)

De zin van het leven hangt ook ten nauwste samen met een voortbestaan van het menselijk bewustzijn na de dood. Immers, anders zouden ‘de wormen in het graf steeds de eindoverwinning behalen op alle streven, op elk geluk en op al het goede.’ Vandaar dat Rietdijk al in Vooruitgang, Cultuur en Maatschappij een grootscheeps parapsychologisch onderzoek bepleit naar een eventueel voortbestaan na de dood.

De organisatie van het geluk, het tot stand brengen van de frustratieloze maatschappij, van een Brave New World zonder schaduwzijden: dat is het doel van de mens en daaraan dient veel, zo niet alles ondergeschikt gemaakt te worden. En al wordt die ontwikkeling (in The Scientifization spreekt hij van de ‘Rode Draad’ in de geschiedenis) van vele kanten tegengewerkt – oppositie die hij later zal samenvatten in de term ‘contrarevolutie tegen de rede’ -, uiteindelijk zal het naderbij komen van zo’n situatie door geen enkele macht kunnen worden tegengehouden. Want: ‘Bewustheid van gevoelens, gecombineerd met intelligentie, leidt onafwendbaar zeker tot rationele planmatigheid op welk gebied dan ook.’ (pagina 440).

Het is de reden dat Rietdijk zoveel aandacht besteedt aan oorzaken en verschijningsvormen van (vaak bewust in stand gehouden) gemanipuleerde gevoelens. Vandaar ook zijn grote belangstelling voor een psychologie en een sociologie die zich niet op allerlei irrelevante zijpaden moeten begeven (‘haarkloverijen’ is in deze context een geliefd woord), maar zich met de Rode Draad, met de werkelijke problemen dienen bezig te houden. Vóór alles is nodig ‘dat een klare, rationele beschouwingswijze in de psychologie algemeen wordt. Dat wordt ingezien, dat de dynamica in de menselijke psyche wordt bepaald door strevingen en frustraties van strevingen.’ En dat de oplossing in deze kwesties te maken heeft met ‘kwaliteit, vraag, aanbod en efficiency’. De verwantschap met een no nonsense-psycholoog als Eysenck, die het voorwoord in The Scientifization schreef, moge duidelijk zijn.

Op het gebied van de seks bijvoorbeeld, ‘één van de voornaamste bronnen van de neurose’, is zijn rechttoe rechtaan-benaderingswijze om het zacht uit te drukken – ook nu nog – revolutionair. In plaats van eindeloos te zeveren over ‘onvoldoende rijping en regulering van de driften’ respectievelijk ‘psycho-seksuele onvolwassenheid’ is het zaak één kardinale kwestie onder ogen te zien als grondoorzaak van seksuele moeilijkheden en problemen:

Namelijk: l) een grote schaarste aan werkelijk erotisch aantrekkelijke personen en 2) het ontbreken van stelselmatige en doeltreffende methoden om op erotisch gebied geselecteerde vraag en aanbod elkaar te doen ontmoeten, opdat optimale bevrediging wordt bereikt. Maar wat is de praktijk? Dat de zaak wordt overgelaten aan “toevallige ontmoetingen” en aan andere factoren die onzekerheid en toeval met zich meebrengen.’ (pag. 69, 70)

Die ‘klare’, ‘rationele’ benadering zou ook de sociologie moeten gelden. In de betreffende paragrafen ontwikkelt hij het begrip ‘cultusneurosen’ en formuleert hij een sociaal-culturele Hoofdwet. Cultusneurose, parallel aan bijgeloof ook wel ‘bijgevoel’ genoemd, heeft betrekking op collectieve gevoelsombuigingen, die bewust of onbewust, in stand worden gehouden door het verabsoluteren van bepaalde irrationele absolute ‘waarden’, normen, idolen of taboes. (pag. 187, 188) Dit ‘bijgevoel’ kan slechts worden bestreden door vrijheid van en mogelijkheid tot gevarieerd experiment, veelzijdige ervaring en vrije expressie op instinctief-emotioneel niveau, waarmee zijn Hoofdwet kortweg is samengevat. ‘Zoals repressie, censuur en onervarenheid op intellectueel vlak de basis vormen van bijgeloof, zo zijn repressie, censuur en onervarenheid op instinctief niveau de basis van het bijgevoel ’ (pag. 217)

Zeer belangrijk in het ‘menselijke streven naar verbetering’ is in Rietdijks visie ook de eugenetica, waarvan hij zegt dat het belang ervan ‘dat van nagenoeg alle andere problemen in de schaduw stelt’. Bezwaren tegen eugenetiek, ‘en zelfs tegen enig risico inhoudende experimenten met menselijke erfsubstantie’ zijn niet geldig, zeker niet voor hemzelf die immers vermoedt dat ‘met dit leven niet alles met de mens is afgelopen.’ Het menselijk lichaam is in Rietdijks opvatting slechts een instrument van iets ‘wat wij als “geest” zullen aanduiden (…) een instrument, zich niet principieel onderscheidende van een huis of een auto, en dat daarom evenzeer in optimale staat moet worden gebracht.’ (pag. 241)

En als de wetenschap daarvoor kan zorgen, waarom dan bezwaren maken?

Rietdijk gaat op deze plaats al in op eventuele bezwaren tegen zijn frustratieloze wereld, die sommige lieden kennelijk niet blijkt aan te lokken en stelt zonder omwegen vast dat het hier eenvoudig een ‘fixatie’ betreft. ‘Namelijk deze, dat bij velen het zich moeite geven voor een groot goed zó is geassocieerd met dat goed, dat ze het laatste zonder het eerste niet meer “echt” vinden. Met enige zelfbeheersing kan men verder altijd een toestand van prikkelloze verzadiging vermijden.’ (pag. 236, 237)

Het zijn overigens ook nogal voorbarige tegenwerpingen, want hoe ver zijn we nog niet af van een werkelijk frustratieloze maatschappij? Is, om in de geest van Rietdijk te redeneren, ook dit niet uiteindelijk een verkapte poging om alles maar bij het oude te laten? Tekenend is dat Couwenberg zich 36 jaar na dato in Civis Mundi bezorgd afvraagt of ‘dit optimale geluk niet (zal) omslaan in optimale verveling.’ Zich daarbij beroepend op filosofen als Rousseau en Schopenhauer die immers ‘het optimale geluk niet voor niets het “ongeluk van de gefortuneerden” hebben genoemd’. 7)

++++++++++++++++

Het roept andermaal de vraag op: wat is geluk? Een vraag die klip en klaar wordt beantwoord in Rietdijks volgende publicatie, die acht jaar later verschijnt en in 1969 curieus genoeg een tweede druk beleeft: Een filosofie voor het cybernetisch-biotechnische tijdperk.

Het is een 116 pagina’s tellend pamflet, waarin de schrijver in 91 stellingen, soms een paar regels, dan weer een paar pagina’s lang, korte metten maakt met vele gangbare opvattingen en aldus de achterflap van het boek ‘een wetenschappelijke basis legt voor een visie op mens en wereld, die past in de “brave new world”, die zich aan onze horizon aftekent.’

In stelling 36 somt hij een aantal punten op waarvan geestelijke gezondheid en geluk in het algemeen afhankelijk zijn: namelijk van voldoende bevrediging en zekerheid op de volgende acht gebieden:

1 erotiek en sympathie 2 maatschappelijke loopbaan 3 gevoel van eigenwaarde 4 onafhankelijkheid van anderen 5 materiële welvaart 6 geestelijke expressie 7 recht en billijkheid 8 dat van de problematiek betreffende de zin van het leven waarmee het vraagstuk is verbonden van het al of niet voortbestaan van de mens na zijn dood.

Het is een nuchter rijtje, maar wie het goed tot zich door laat dringen realiseert zich dat het zeer veel minder beperkt is dan wat bijvoorbeeld iemand als A. van den Beukel (zie noot 7) als ‘aards geluk’ beschouwt. Die beseft tevens dat de eerste voorwaarde om gelukkig te worden is het begrip ‘geluk’ van zijn metafysische kanten te ontdoen. Ook het begrip ‘geluk’ dient, met andere woorden, te worden ontmythologiseerd.

Een filosofie voor het cybernetisch-biotechnische tijdperk is zowel een beknopte herhaling als een voortzetting van Vooruitgang, Cultuur en Maatschappij. Ook nu weer laat Rietdijk zijn licht schijnen over psychologie, sociologie, economie, parapsychologie en de wijze waarop wetenschap bedreven moet worden. Het hete hangijzer eugenetica komt slechts terloops ter sprake. Wel duikt hier voor het eerst met zoveel woorden het begrip ‘contrarevolutie tegen de rede’ op en komt Rietdijk met forse kritiek op vele hedendaagse uitingen van de moderne kunst en filosofie (instemmend citeert hij voor het eerst, en niet voor het laatst, Ingmar Bergman die de literatuur anno 1965 karakteriseerde als een opeenstapeling van ‘zinloze en ongevaarlijke woorden’). De toon van het geschrift is aanmerkelijk agressiever en stelliger dan in zijn eerste, voorlopige, levenswerk.

Zeer expliciet in zijn kritiek op de literatuur, kunst en filosofie, is hij in stelling 61: ‘Wanneer de kunstenaar geen werkelijke bewogenheid legt in zijn werk, wanneer hij ook zelfs de pretentie niet heeft een belangrijk (emotioneel) probleem zoal niet op te lossen dan toch aan de orde te stellen, dan is dat werk onbeduidend. Afwezigheid van dramatiek en geladenheid, het geen werkelijk belang bij iets hebben ook, is eenvoudig een kwestie van emotionele bloedarmoede en van middelmatigheid.’

Bovendien, zo vervolgt hij, is de hedendaagse literatuur in het algemeen conservatief in die zin dat hij – mét het existentialisme – suggereert dat de werkelijke menselijke problemen (waaronder die betreffende de seksualiteit, de angst en de zin van het leven) op strict persoonlijk, subjectief vlak zouden liggen (‘eenzaamheid’, ‘vervreemding’, ‘zijnsangst’, ‘wanhoop’ etc.) en, ook al door hun ‘gecompliceerdheid’, niet voor een wetenschappelijke en algemene aanpak toegankelijk zouden zijn; m.a.w. dat de organisatie van het geluk onmogelijk zou zijn.’

Ook komt hier aan de orde wat een steeds essentiëler punt in zijn kritiek op de hedendaagse mens zal worden: het conformisme.

Te weinig realiseert men zich verder dat afwezigheid van bewogenheid en van het besef ergens belang bij te hebben de meestvoorkomende oorzaak is van conformisme. Bij zulk een afwezigheid immers bestaat er geen enkele noodzaak om niet de weg van de minste weerstand te kiezen, en niet met de stroom mee te drijven. Dit nog afgezien van het feit dat het ergens belang bij hebben de motor is van werkelijk denken, dus de bron van een eigen oordeel.’ (pag. 59)

+++++++++++++++

In 1975 verschijnt dan deel 1 van De contrarevolutie tegen de rede. Het boek dat in eerste instantie zoveel ambivalente gevoelens losmaakte, maar, zoals gezegd, ook veel behartenswaardigs had te melden.

Motto vormen de Galileï door Brecht in de mond gelegde uitspraak:

Ongeluk komt voort uit verkeerde berekeningen’

en de in het begin van dit artikel aangehaalde passage uit de Introduction van George Orwells Animal Farm.

Die eerste uitspraak weerspiegelt de inhoud van zijn werk. De tweede heeft alles te maken met de magere ontvangst, de geringe weerklank van zijn werk dat zo hoopvol gestemd begon. Het verklaart ongetwijfeld (mede) de nog fellere toon ervan.

Naast de 300 Lichtkogels (sommige rechtstreeks afkomstig uit Een filosofie voor het cybernetisch-biotechnische tijdperk) die in steeds pregnanter vorm wederom ingaan op allerlei misstanden, bestaat het boek uit twee lange hoofdstukken, respectievelijk getiteld: ‘De anderen als religie’ en ‘De contrarevolutie tegen de rede’.

In ‘De anderen als religie’ verdiept hij zich uitgebreider dan voorheen in wat hij beschouwt als een van de grootste feilen van de mens: het conformisme, de aanpassing. De sociale wetenschappen en de filosofie verwijt hij dat het vooral aanpassing en conformiteit zijn geweest die het niveau zo laag hebben gehouden ‘dat zij nauwelijks plegen uit te komen boven een formuleren in wetenschappelijke termen van de gangbare opvattingen en die verder een situatie in stand houdt waarin het uitoefenen van fundamentele kritiek op elkaars gedachten, het aanvoeren van weerleggende argumenten welhaast geldt als een uiting van onfatsoen.’ (pag. 83). Verderop haalt hij nog Gouldner aan (deze zal in The Scientifization nog veelvuldig terugkeren) die ‘iets overdreven’ zei: ‘De aanvaarding van een theorie is niet zozeer afhankelijk van haar waarheidsgehalte als wel van haar passen bij de sentimenten (ethische overtuigingen e.d.) van de gemeenschap waarin zijn verkondigd wordt.’

Het aanpassen aan de groep komt onder meer ook tot uiting in de pogingen om het onderwijs te vernieuwen. ‘Wat men in feite nastreeft is het opkweken van een door anderen bepaald mensentype dat niet in de eerste plaats steunt op zijn intellect, kennis, ijver en prestaties maar voor alles streeft naar aanpassing aan en integratie in de groep.’ (pag. 119).

In het hoofdstuk ‘De contrarevolutie tegen de rede’ worden een aantal cultureel-maatschappelijke verschijnselen bestudeerd die met elkaar gemeen hebben dat ze ‘naar geest en/of maatschappelijke invloed ingaan tegen de hoofdtrend in de westerse samenleving die wijst in de richting van toenemende rationalisering en verlichting; tegen de sinds de renaissance dominerende trend die wordt getypeerd door de begrippen rationaliteit, wetenschap, techniek, planmatigheid, industrialisering, secularisatie en daarmee samenhangende verschijnselen als toenemende bewustwording en individualisering.’ (pag. 151)

Overigens benadrukt Rietdijk nog eens dat de 18e-eeuwse Verlichting natuurlijk niet meer als model kan dienen voor de huidige tijd. De enige fout van de Verlichting is dat zij niet ver genoeg ging, dat de rationaliteit niet doordrong tot in het onbewuste en intieme. (pag. 156) De naïviteit van de verlichte denkers en hun latere geestverwanten betreft de onderschatting van de subtiliteit van de menselijke geest en van het raffinement waarmee die en waarmee ook maatschappelijke belangengroepen hun doeleinden nastreven. ‘De politieke en sociale rampen die ondanks alle pogingen tot verlichting en rationaliteit ook de laatste paar eeuwen hun tol bleven heffen,’ aldus Rietdijk, ‘hebben zich slechts kunnen voordoen, doordat de werkelijke drijfveren van belangrijke maatschappelijke krachten – veelal ook voor hun menselijke dragers – verborgen bleven.’

Als het ware gezicht, de doeleinden en de methoden van die krachten even duidelijk en doorzichtig waren (geweest) als de verlichte denkers wel hebben gemeend, als ze bv. in overeenstemming waren (geweest) met de openlijk beleden doeleinden etc., en dus voor ratio en ethiek gemakkelijk controleerbaar en bekritiseerbaar, dan zouden de bedoelde rampen nimmer hebben kunnen plaatsvinden.’ (pag.155). 8)

Er werd, zo stelt Rietdijk met dank aan respectievelijk Marx en Freud, niet of onvoldoende onderkend dat ‘de maatschappij met de daarin dominerende moraal, religie en zeden grotendeels moet worden bezien en verklaard vanuit het gezichtspunt van een belangenstrijd tussen groepen. Het tweede feit is dat zich in mensen onbewuste processen afspelen, die desalniettemin grote invloed hebben op hun denken en handelen.’ (pag. 153)

In deel 2 van De contra-revolutie tegen de rede dat in 1977 verschijnt, gaat Rietdijk verder met een ‘alternatief te scheppen voor het in de geestes- en maatschappijwetenschappen overheersende conformisme, dat hen buiten staat houdt veel bijdragen van betekenis tot onze kennis te leveren.’ Een alternatief dat uitmondt in het eerder genoemde program dat de schrijver zo verrassend betitelde als ‘Een nieuwe concretisering van links’. Verder wordt wederom veel aandacht besteed aan het gelijkgeschakelde onderwijs (een hoofdstuk wordt gevuld door een genadeloze aanval op het middenschooldenken van Van Kemenade), het economische bestel (te weinig dynamiek, te veel groepsbelangen zoals kartelvorming ‘in plaats dat de overheid er slechts door algemene maatregelen zoals minimumlonen, maximumprijzen, ontslagslagregelingen etc, zorg voor draagt dat de rechtvaardigheid wordt betracht’), de averechtse aanpak van de criminaliteit, de conformerende werking van moderne kunst en filosofie, en zingevingsvragen.

In het hoofdstuk ‘Technische vooruitgang en menselijke zingeving’ formuleert Rietdijk nog eens zijn interpretatie van Einsteins beroemde adagium ‘God dobbelt niet’. Hij zet zich af tegen rationalisten en irrationalisten die beweren ‘dat de ratio, wetenschap, niets te maken heeft met zin, samenhang en harmonie op het allerhoogste niveau. Immers door te stellen dat er op dat niveau slechts chaos is, poneert men dat de rede, de wetenschap, alleen wat te zeggen heeft op lager vlak, op dat van de detailproblemen. Dáár zou de wereld logisch, “harmonisch-coherent” functioneren, maar niet op het “hogere” niveau van de samenhang van het geheel en van bijvoorbeeld het bestaan van de mens. (…) De irrationalisten (…) ontzeggen de ratio de toegang tot het “hogere” en het specifiek menselijke. Hij zou machteloos staan wanneer het erom gaat de essentie, de zin, daarvan te verhelderen, laat staan te begrijpen. Precies het tegenovergestelde is waar. Pas als we er de lijn, de orde en de coherentie in zullen hebben gezien die de rede in de dingen brengt, zullen we de mens en de diepere dingen in hun zin leren begrijpen. Daarom is wijsbegeerte ipso facto rationalistisch 9) en zal ook een literatuur die de chaos en het absurde cultiveert nooit tot geestelijke verdieping bijdragen.’ (pag. 113)

Genoemde diepere verbanden zouden zich met name kunnen openbaren in de parapsychologie, die Rietdijk ‘als een ‘fascinerende tak van wetenschap in de kinderschoenen’ ziet die ‘onder de positieve, de natuur-onderzoekende wetenschappen het meest betrekking heeft op grotere samenhangen, op coherentie (…), op diepere verbanden in het bestaan. (pag. 133, 134).

Vandaar dat hij in een omvangrijk hoofdstuk getiteld ‘De functie van het paranormale’ op zoek gaat naar opvallende coïncidenties, merkwaardige samenlopen van omstandigheden (pag. 139), waarbij hij onder meer eigen ervaringen gebruikt voor mogelijke verklaringen. Het is een interessante poging om orde in de chaos te scheppen middels begrippen als telepathie, associatie, inductorwerking en groepsziel. Aan het slot van dit hoofdstuk introduceert Rietdijk, in navolging van E. H. Walker, als nieuwe op de quantummechanica aansluitende benadering het voor kortzichtige rationalisten ongetwijfeld onzinnige begrip ‘retroactief effect’: de toekomst is er al en oefent soms invloed uit op tegenwoordige gebeurtenissen.

++++++++++++++++

Veel uitgebreider aan de orde komt deze materie in zijn volgende boek dat pas 12 jaar later, in 1989, verschijnt: Experimenten met GodDe moderne fysica: een nieuwe kijk op de wereld, het paranormale en religieuze. 10) Ook al zo’n publikatie die veel te weinig aandacht heeft gekregen, zoals Couwenberg terecht opmerkt in zijn Civis Mundi-bijdrage. 11)

In zijn ‘Woord vooraf’ vergelijkt Rietdijk zijn boek ‘enigszins’ met populairwetenschappelijke bestsellers als Paul Davies’ ‘God in de nieuwe natuurkunde’, Gary Zukavs ‘De dansende Woe li meesters’ en Capra’s ‘De tao van de fysica’. Maar het grote verschil met deze buitenlandse auteurs is gelegen in de eigenzinniger kijk en de veel persoonlijker – en onvermijdelijk ook meer speculatieve – invulling. In feite is het een poging om een directe relatie te leggen tussen het wetenschappelijke en het religieuze domein. Daartoe onderzoekt hij in eerste instantie de beroemde Einstein-Podolsky-Rosen-paradox, waaruit blijkt dat er in de quantummechanica wetten bestaan die bovenlokaal werken.

Dan blijkt ook dat de ‘contrarevolutie tegen de rede’ zich niet alleen uitstrekt tot alfa- en gamma-wetenschappen, maar zich tevens manifesteert in de exacte wetenschappen, in casu de theoretische natuurkunde. De meeste positivisten vinden ideeën en theorieën over een vierdimensionale wereld, over retroactieve effecten en het invoeren van het door Rietdijk geïntroduceerde begrip werkingsafstand (dat bovenlokale contacten verklaart) een ‘te hoge prijs voor het opstellen van realistische en voorstelbare modellen van het micro-gebeuren,’ aldus Rietdijk. Die tegenwerpt dat ze daarmee ‘de boot afhouden voor een nieuwe, nu echt verklarende kijk daarop. Het “taboe” op denken tot in detail, op logisch dóórdenken, vervult hier in feite de functie, onwelgevallige, al te vérgaande consequenties waartoe dat dóórdenken (…) leidde, te “verdringen”.’ Het schept de mogelijkheid om ongewenste, revolutionaire conclusies te ontgaan, en bijvoorbeeld vast te houden aan een wereldbeeld waarin geen plaats is voor bovenlokale samenhangen.’ (pag. 79)

Experimenten met God is in zekere zin een buitenbeentje in het oeuvre van Rietdijk. Niet alleen veel minder strijdlustig van toon, maar tevens minder omvattend en, uit de aard der zaak, ook minder stellig. Terwijl hij bijvoorbeeld in De Contrarevolutietegen de rede nog stelt dat, mits de vooruitgang in hetzelfde tempo voortgaat als de laatste vijftig jaar ‘er over tweehonderd jaar nauwelijks meer leed zal bestaan’, blijkt Rietdijk in Experimenten met God aanzienlijk genuanceerder: ‘Er is geen ontkomen aan de conclusie dat de wereld nog uiterst gebrekkig is en in haar huidige stadium niet beantwoordt aan menselijke morele, laat staan Goddelijke, maatstaven en bedoelingen, anders dan als onvermijdelijke evolutieschakel. Hoyle’s 12) voorstelling dat God nog slechts beperkt hier en nu, maar meer volmaakt in de toekomst bestaat, past daarbij, geredeneerd vanuit onze kennis over het vierdimensionele karakter van het universum. God evolueert mee met de wereld waarvan Hij de ziel is, maar bestaat in Zijn latere, volmaakte(r) stadia “reeds” zoals de toekomst dat ook meer algemeen doet. Het gehele vierdimensionale complex van het bestaande is innerlijk consistent, met ons huidige onvolmaakte stadium als deel van een onontbeerlijke evolutionaire basis. Het lijden en het kwaad vormen de prijs die voor de opbouw en groei van de wereld moet worden betaald, dus voor haar bestaan op de enig mogelijke wijze.’ (pag. 258)

+++++++++++++++++++++++

En dan is daar in september 1994 The Scientifization of Culture – Thoughts of a physicist on the techno-scientific revolution and the laws of progress. Het omvat, 600 pagina’s lang, een indrukwekkende synthese van Rietdijks ideeën tot op dat moment. Van enig voorbehoud van de uitgever (Van Gorcum) is dit keer geen sprake. Integendeel. Op het achterplat wordt trots gerept van ‘a coherent new theory on society and – to some extent – on the meaning of life, the first of its kind in many decades’.

Dat het opnieuw een bijzonder ambitieuze onderneming is blijkt meteen al uit de ‘Preface’. Daarin merkt de schrijver op dat in zijn poging de troebele wateren doorzichtiger te maken, hij zich niet tevreden wenst te stellen met louter abstracte discussies over bijvoorbeeld Michels’ IJzeren wet van de Oligarchie of Gouldners ideologietheorie. Hij voelt er niets voor om ‘vaag’ te blijven, integendeel: ‘We want to know which people in what organizations wield what kind of disproportionate power in order to achieve what kind of purposes for whom; and all of this with us, in our countries at the present time. We do not like to be vague; the vagueness in itself is part of the taboos and of the troubled waters. Analogously, if Gouldner (correctly) says that ideologies will be means for cryptically disguising the interested egoism of particular groups as interest of common concern, as ‘moral principles’, as the public good, we again want to become very specific. We can do little with such theory unless we try and find what self-interested groups (unconsciously as a rule) use which ideological assertions in order to conceal what purposes to the benefit of whom, again now, here,with us, too. And – the most risky part of our task – we shall have to unmask what passes for “public good” or “moral principles” without being so. Small wonder that most authors shy away from this essential part of practising social science in a way that really cuts ice.’ (XXI)

Met deze laatste zin grijpt Rietdijk vooruit op het meest essentiële, en meest omvangrijke hoofdstuk: The Concept of Institutionalization; Why so Many Problems Remain Unresolved. Aan het slot waarvan hij invloedrijke, door hem al dan niet instemmend aangehaalde figuren als Gouldner, Lasch, Galbraith, Reich, Bell, Kristol, Schelsky, Merton, Friedman, Foucault, Adorno, Horkheimer, Habermas, Levi-Strauss verwijt dat niet één van hen ondubbelzinnig afstand neemt van zowel (neo)marxisme, de pseudoprogressiviteit van de nieuwe welgestelden als (neo)conservatisme. Geen van hen, zo betoogt hij, koos voor of herkende zelfs maar de Rode Draad in de geschiedenis. Concrete verklaringen, waardoor invloedrijke belangengroepen ontmaskerd worden zijn eigenlijk taboe. In wiens belang is, om maar één voorbeeld uit een lange rij te noemen, eigenlijk de softe benadering van de misdaad en de uiterst ingewikkelde juridische procedures die bedacht worden? Waarom wordt niet duidelijk gesteld dat die belangen zijn vervlochten met het justitiële apparaat en vooral met het alsmaar uitdijende leger advocaten dat een boterham moet verdienen? 13)

Bijna alle hierboven genoemde spraakmakende geleerden concentreren zich op de geijkte sociaalpolitieke problematiek inzake de armen, minderheidsgroepen, onderwijs etc. Niemand, zo beschuldigt Rietdijk hen, schrijft positief over leugendetectors, rationele, doorzichtige markten op het gebied van sekspartners en banen, genetische paspoorten. Terwijl dit soort zaken, aldus Rietdijk, op natuurlijke wijze voorvloeien uit de ontwikkelingen van de afgelopen paar eeuwen: de technisch-wetenschappelijke revolutie in combinatie met ontmythologiserende revoluties zoals op gang gebracht door Darwin en Freud.

Wie van hen, zo houdt Rietdijk al deze beroemde, hooggeschatte auteurs voor, heeft eigenlijk ingezien dat ook in onze huidige tijd de belangrijkste oorzaak van veel kwaad is gelegen in het ondermijnen, devalueren en/of frustreren van de rede, van een rationele ethiek en van het op coherente wijze ontwaken van emoties en instincten. Wie past Gouldners ideologietheorie toe op nu heersende ideologieën als egalitarisme en sociaal environmentalisme, en laat zien welke concrete belangen achter die ideologieën schuilgaan? Wie begon te vermoeden dat er subtiele, maar effectieve vormen van censuur bestaan toen hij zag dat vele mensen privé niets moeten hebben van Beckett, Appel en Schönberg, maar zulks in het openbaar niet durven uit te spreken?

Wie gedroeg zich werkelijk als het jongetje dat riep dat de keizer geen kleren aanhad in plaats van lippendienst aan hem te bewijzen? 14) Wie van de spraakmakende sociologen of filosofen ontmaskerde überhaupt welke heilige koe, althans op een dusdanige wijze dat bepaalde machtige (belangen)groepen wel woedend moesten reageren? (pag. 315)

De armoede van de hedendaagse sociologie blijkt eens te meer waar Rietdijk constateert dat, mocht zijn methode en benadering onjuist zou zijn, de vraag zich opdringt welke alternatieve theorie(ën) dan kunnen worden aangedragen. Welke theorie is m.a.w. coherenter, consistenter en doeltreffender dan die zoals neergelegd in The Scientifization?

Het is inderdaad een uitermate onbescheiden, zeer uitdagende stelling, die de vraag oproept wat die theorie behelst en waarom er in de eerder genoemde, summiere, kritiek die tot dusver op het boek verscheen überhaupt geen melding van werd gemaakt.

Om met die laatste vraag te beginnen. Een van de redenen is dat vrijwel alles wat Rietdijk aanvoert in zijn strijd tegen de malaise in het hedendaagse denken door hem van kardinaal belang wordt geacht; maar dat er in die reeks van aanklachten altijd wel een paar zaken uitspringen door hun zeer concrete ‘alledaagsheid’, die ze bij uitstek vatbaar maakt voor gemakkelijke kritiek (en/of bijval). Wat dat betreft is er sinds Maarten ’t Harts bespreking van De contrarevolutietegende rede weinig of niets veranderd.

Die punten betreffen uiteraard de eugenetica (Rietdijk in The Scientifization, pag. 17:‘In fact, human quality is the most important there is in the world, and anyone who is interested in quality and progress at all will ultimately not stop where things become essential: in the sphere of measuring and improving human genetic qualities. Of course, this will define an important aspect of the scientifization of culture in general’) alsook de moderne kunst. Gemakkelijk doelwit wordt Rietdijk bijvoorbeeld wanneer hij Mondriaan 15) schaart in het rijtje ‘humbug’-kunstenaars als Schönberg, Beuys 16) en Warhol.

Wat houdt nu kortweg Rietdijks theorie in? Hij constateert een allesbeheersende tegenstelling tussen de twee essentiële ontwikkelingen in de geschiedenis. Aan de ene kant is er de Rode Draad, die wijst op: een steeds toenemende bewustwording, articulatie en toepassing van de rede; een groeiende rationalisering van en (dus) beter op de mensen afgestemd waardensysteem (moraal); en een ontwikkeling in de richting van meer verfijning en samenhang in het gevoelsleven.

Anderzijds zijn er krachten die tegen de Rode Draad ingaan. Belangengroepen, het ‘establishment’, gevestigde belangen überhaupt, voelen, al dan niet bewust, dat er aan hun voorrechten en invloed geknaagd gaat worden zodra de rede daadwerkelijk triomfeert. Toenemende rationalisering maakt de wereld immers transparanter, doorzichtiger. En dat is uiteindelijk funest voor hen die onterechte privileges genieten, voor groepsbelangen die in stand worden gehouden ten koste van de gemeenschap, voor corrupte politici en managers, enzovoorts.

Wie vervolgens met dit inzicht gewapend – en met een stortvloed aan feiten – bestudeert hoe het hedentendage is gesteld op het terrein van de economie, het politieke bedrijf, de juristerij, het onderwijs, de seksualiteit, de kunst en noem maar op, die komt tot de meedogenloze analyse die de harde kern van The Scientifization of Culture vormt.

The Scientifization of Culture is, om Couwenberg te citeren, in meerdere opzichten een ‘levenswerk van grote allure’. Het is het niet alleen Rietdijks meest omvangrijke, meest omvattende geschrift, maar tevens een imponerende samenvatting & synthese van diens gedachtengoed.

Is er naast al die lof dan helemaal geen kritiek mogelijk? Natuurlijk wel.

Vooropgesteld dat wie Rietdijk goed leest niet kan twijfelen aan zijn integriteit, en met Lichtkogel 5 uit The Scientifization in gedachten (‘Why quarrel about something being 80 percent true or 90 percent? Isn’t the essence that it is largely true? Why attack someone on details if he is substantially right?) blijven er inderdaad vragen bestaan. Om er een paar te noemen:

– Zo is Rietdijks grote belang: het willen vinden van coherentie en zin.

Soms wekt zijn onderzoek de indruk dat de wens te veel vader van de gedachte is. Voorbeeld: hij is gevoelsmatig determinist en publiceert op een gegeven moment daadwerkelijk een bewijs dat het determinisme geldig is.

Ander voorbeeld: hij ‘wil’ dat de natuur vier-dimensionaal is en komt na verloop van tijd (in Experimenten met God) met een theorie die dat bevestigt.

– Rietdijk zou wensen dat wie gelijk heeft ook gelijk krijgt, m. a. w. dat slechts de macht van het argument zou mogen tellen. Dat is een redelijk, bij uitstek rationalistisch standpunt, maar tegelijkertijd irreëel. Sloterdijk: ‘Het rationalisme wordt voornamelijk gebroken door het politieke cynisme van de hegemonie.’ (Kritiek van de cynische rede, pag. 152)

Mutatis mutandis geldt dit voor zijn steeds weer uitgesproken wens de macht van belangengroepen, op welk terrein dan ook, uit te schakelen.

– Rietdijk wekt nogal eens de indruk dat, wie niet altijd serieus met de diepere levensvragen bezig is en wie niet elk moment van de dag naar het – moeizaam te verwerven – ‘paradijs’ verlangt, een slecht mens is.

Tot slot. H. J. Eysenck schreef in de Introduction dat The Scientifization op heftige emotionele en onredelijke weerstanden zou stuiten.

Laten we het hopen. Dan wordt het in ieder geval gelezen.

————————————————————

1) Aldus een mededeling van Rietdijk.

2) Ook Engeland-correspondent Dick Wittenberg van NRC/Handelsblad toonde zich enthousiast toen hij zomer 1994 vernam dat The Scientifization in Londen zou worden gepresenteerd in aanwezigheid van Eysenck. Desalniettemin: nergens enig bericht of recensie in zijn krant.

3) Aldus een mededeling van VPRO-gidsredacteur Anton de Goede, die lange tijd in de Athenaeumboekhandel heeft gewerkt.

4) Belangrijk in dit verband is ook dat er geen onderscheid gemaakt kan worden tussen geesteswetenschappelijke en natuurwetenschappelijke methode. Er bestaat slechts één wetenschappelijke methode: de rationalistische. Rationalisme wordt door Rietdijk – zeer belangrijk – veel ruimer opgevat dan menigeen zou denken en sluit zoals hierboven al vermeld in principe niets uit.

Het komt, ongeveer, overeen met de omschrijving die Andreas Burnier in haar essay ‘Het rationalisme als cultuurneurose’ gaf: rationalisme als mogelijkheid ‘voor de individuele mens (…) om zich denkend in de wereld te oriënteren’. Een vorm van rationalisme waartegen niets is in te brengen, aldus Burnier, ‘als het functioneert in harmonie met andere psychische functies, zoals waarnemen, voelen en willen.’ Wel maakt zij bezwaar tegen het ‘rationalisme als cultuurideaal, als exclusieve norm voor de sociale en wetenschappelijke interactie van mensen’. Dit is het soort rationalisme dat zij koppelt aan de Verlichting.

Dessaur erkent dus het recht van de wetenschap, maar waar die tekortschiet dienen ‘andere kenbronnen’ te worden aangesproken. Rietdijk daarentegen rangschikt ook die ‘andere kenbronnen’ onder de wetenschap. Interessant is ook Rietdijks opmerking dat hij rationalist is ‘omdat hij gevoelsmens is’. Immers: ‘Alles namelijk wat de efficiency frustreert, frustreert uiteindelijk ook het gevoelsleven, en zodra de gevoelens bewust zijn, beseft men dat ook, en ervaart men irrationele “waarden”, die de efficiency op enig gebied frustreren – als zijnde dogma’s op gevoelsgebied – als een overeenkomstige frustratie van de gevoelsontplooiing.’

Dat Burniers opvatting uiteraard iets anders is dan een ‘totale verwerping van de rede’ waarvan Rudy Kousbroek Burnier beschuldigt in z’n boek Einsteins poppenhuis (pagina 164) moge duidelijk zijn. In haar boek De Droom der Rede, waarop Kousbroeks aanval is gebaseerd, meldt Burnier overigens dat zij sympathie heeft voor de verworvenheden van de Verlichters die ‘sociale verandering voorstonden, (…) anti-autoritair waren, anti-dogmatisch en (…) hartstochtelijk geloofden in vooruitgang en in de mogelijkheden voor de mens om in haar levensomstandigheden doelbewust in te grijpen (pag. 94).

Wellicht is dit iets om bij een andere gelegenheid nader op in te gaan.

5) In 1966 zal hij in Philosophy of Science een, nimmer weerlegd, bewijs publiceren dat het determinisme geldig is. In zijn Autobiografie’ plaatste Karl Popper hierbij een kritische kanttekening, waarover Rietdijk jaren later in een interview met de VPRO-Gids (1993, nr. 2) zei: ‘Ik heb er op een congres nog eens met hem over gesproken. Hij vroeg: “Did I do unjustice to you?” Maar hij voelde zich toen al te oud om nog verder op deze materie in te gaan.’

6) Pluritas non est ponenda sine necessitate. Het zal niet de laatste keer zijn dat Ockhams scheermes zijn zuiverende werking demonstreert. In Vooruitgang, Cultuur en Maatschappij noemt Rietdijk de naam nog niet. Pas in The Scientifization komt hij diverse malen met ‘Occam’s razor’ op de proppen en gebruikt hij het ‘principe van voldoende reden’ expliciet als methode om veel kaf van het koren te scheiden.

7) Ook in de veelverkochte boeken van de (christelijke) natuurkundige A. van den Beukel wordt een dergelijke toon aangeslagen. Volgens hem zijn al onze wensen wel zo ongeveer bevredigd. En hij stelt zich vervolgens de vraag: ‘Is er niet meer dan dat? Is er geen doel, geen zin te ontdekken?’ In ieder geval niet in de wetenschap, is zijn conclusie. God moet ‘met andere ogen’ gevonden worden.

8) Vandaar ook zijn niet-aflatende pleidooien voor het gebruik van leugendetectors bij onder meer verantwoordelijke politici en andere met openbaar gezag beklede figuren.

9) Elders schrijft hij: ‘Werkelijke filosofie is de natuurkunde van de grote waarheden’

10) Al zat hij, net als in die andere tussenpozen, niet stil; hij publiceerde onder meer artikelen in Civis Mundi en in diverse natuurkundige periodieken. Het boek verscheen overigens niet in Nederland, maar als BRT-uitgave: het berust op een serie lezingen voor BRT-radio 3.

11) In NRC/Handelsblad werd het in 1990 besproken door H. Sparnaaij, die het wel een moedige onderneming vond, maar tegelijkertijd een volstrekt verkeerd beeld van het boek schetste. Hij besloot zijn recensie met de te optimistische regels: ‘Sommige lezers zullen zich ergeren, ook al door het gemis van een register, maar veel andere lezers zullen Rietdijk bewonderen. Het boek zal discussies uitlokken en dat is één van zijn verdiensten’.

In het dit jaar verschenen Nederlandse vertaling van het overzichtsboek ‘Parapsychologie’ van R. Broughton is ook een bijlage opgenomen over de stand van zaken in de Nederlandse parapsychologie. Vermelding van Experimenten met God zou daarin niet hebben misstaan.

12) Rietdijk verwijst hier naar Fred Hoyle’s boek ‘The Intelligent Universe’

13) Ter illustratie vergelijkt hij de situatie met het, geheel anders georganiseerde, justitie-systeem in Japan. Niettemin, dat Japan slechts 10.000 advocaten kent en de VS 340.000 zegt wel iets.

14) Motto van The Scientifization is (XV): ‘The greatest social scientist who ever lived was the small boy who spoke up and said aloud that the emperor wore no clothes’

15) Tijdens een, zeer bescheiden, symposium op de TU Delft dd 18 mei 1995 naar aanleiding van het Civis Mundi-nummer ‘De rede ter discussie’, waaraan de meeste Civis Mundi-auteurs inclusief Rietdijk zelf deelnamen, bleken inderdaad diens standpunten inzake de moderne kunst en de eugenetica verreweg het meeste los te maken. Wat Mondriaan betreft maakte Rietdijk het er zelf ook wel naar door te stellen dat een kind van 6 jaar zo iets ook wel kon produceren. Wat niet wegneemt dat hij gelijk heeft als hij op pagina 178 schrijft dat het enige wat telt in de kunst is: ‘thrilling beauty and/or important objective truths.’

16) Over Beuys gesproken: in Tirade van mei/juni 1983 verscheen een omvangrijk artikel, geschreven door Henk van Gelre, dat zowel qua toon als inhoud een verbazingwekkend hoog Rietdijk-gehalte heeft. Pagina 289: ‘De geest van wat Beuys c.s. wilden was evenwel duidelijk. Dat was achter het masker van hun anti-(professionele) kunsttheorieën een verandering van de samenleving naar hun model, d.w.z. het opkweken van een mensentype, dat er – zij het als kunstenaar, dan wel in een andere hoedanigheid, want in een maatschappij waar kunst en leven één zijn vervallen dergelijke onderscheidingen immers – niet in de eerste plaats naar streefde om op het speciale terrein van zijn aanleg en keuze zijn individuele vermogens maximaal te ontwikkelen en ontplooien door middel van studie en inspanning, maar dat voor alles bereid was zich te conformeren aan de geest, welke zij die van het ‘sociale’ en ‘collectieve’ noemden.

Het aangeprezen ‘sociale’, de ‘democratisering’, het ‘spontane’ en het ‘creatieve experiment’ staan hier in laatste instantie voor relativisme, nivellering, maak het jezelf niet moeilijker dan nodig is, wij bepalen zelf wel wat kunst is, het zgn. ludieke, kortom, voor een gerichtheid op datgene wat onmiddellijk voor iedereen bereikbaar is en voor een oppervlakkige, tot niets verplichtende en opportunistische hier-en-nu instelling.

In de anti-prestatie en anti-kwaliteit gerichtheid, die zich hier aandient, waarbij elke vorm van kritiek taboe is, het ontbreken van criteria tot de goede toon behoort en het ‘experiment’ en ‘ongespecialiseerde vormen van expressie’ het gemis aan talent, aan diepe bewogenheid en aan onmiskenbare creativiteit moeten camoufleren, manifesteert zich een devaluering van waarden, die in toenemende mate het geestelijk klimaat van onze tijd is gaan bepalen.’

Advertenties

3 gedachten over “De strijd van CW Rietdijk

  1. Maciano

    Uitstekende uiteenzetting van Rietdijk’s werk. Ik heb alles van hem gelezen, muv Vooruitgang, Cultuur en Maatschappij.

    Veel van wat Rietdijk voorspelde destijds is uitgekomen of plaagt ons.

  2. Ben Rogmans

    Beste Renzo,
    Interessant verhaal, grappig om je hier weer tegen te komen.
    Briljant citaat uit ‘een filosofie voor… enz.’, op pag 19, nr 33:
    In overeenstemming met het voorgaande ligt nu de oplossing voor de seksuele vraagstukken in konkreto in de volgende twee punten:
    a. De vorming op grote schaal van het reeds genoemde markt-systeem, o.m. door inschakeling van de in verschillende landen daarin al benutte computer. Men denke hier tevens een aan massale beschikbaarheid van filmstroken waarop mogelijke partners iets over zichzelf vertellen.

    Rietdijk heeft dus begin jaren ’70 het concept van FaceBook en Tinder bedacht.

    In Lichtkogel 158 uit de contra-revolutie deel 2 beschrijft hij daarnaast het concept van amazon/ali baba, vacaturewebsites etc.

    Groet,
    Ben Rogmans.

  3. Pingback: God. En: de groep | Blog van Renzo Verwer

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s