Strijden in stijl

Sail is afgelopen, maar hier een zeer mooi en grappig zeilverhaal:

Opvallend azuurblauw water klotst in de felle zon tegen vijftig prachtige klassieke schepen op het Caribische eiland Antigua. Op de steigers van de jachtclub heerst bedrijvigheid en gezelligheid alom. Het is april, dus tijd voor de Classic Week. Dit jaar is de race de eerste en laatste openbare testcase voor de Nederlandse superschoener Windrose. Op het water wordt heftig gestreden. Maar er blijkt ook plaats voor schoonheid, sfeer en ontspanning.

door Titia van der Burg

‘IK GEEF HIER DE COMMANDO’S !!!!!’, roept schipper en tacticus Simon Dierdorp naar een bemanningslid die even ervoor ‘PREPARE THE GENUA’ had geroepen richting voordek. Ook tijdens de training (één dag voor de Classic Regatta op Antigua) gaat het er serieus aan toe aan boord van Windrose. Ik bevind me in gezelschap van maar liefst dertig zeilfreaks en val van de ene verbazing in de andere. Een voordekker (Admirals Cup winnaar Laurens Poorter) is zo snel dat ik denk dat het een tweelingbroer is. Met 145 ton van 0 naar 12 knopen in slechts een paar seconden tijd, een draaicirkel van niet meer dan een meter of 10, supersnelle zeilwisselingen; deze 40 meter lange schoener accelereert en vaart als ware het een J24.

Maar het mag ook allemaal wel; dit raspaardje is namelijk speciaal gebouwd om in mei 2002 het Trans Atlantische schoener record te verbreken dat al bijna 100 jaar op naam staat van Atlantic. De Classic Week is de eerste en enige wedstrijd waaruit moet blijken of Windrose en haar bemanning klaar zijn voor de job. Navigator en ontwerper van Windrose, Gerard Dijkstra, verwacht niet dat Windrose eerste zal worden in haar klasse. ‘Daarvoor hebben we een te hoge rating aan onze broek gekregen’, zegt Dijkstra, die zijn bijnaam professor ook hier hoog houdt. Gewapend met laptop en een stapel papieren zit hij regelmatig op het terras ingewikkelde berekeningen door te voeren. Wel verwacht Dijkstra dat Windrose op Antigua de ‘best elapsed time’ in de wacht gaat slepen. Die prijs gaat naar het schip dat het totaaltraject (drie dagen rond de boeien) het snelst aflegt.
Toch gaat er tijdens de training nog wel het een en ander mis. De rolinrichting van het schoener stagzeil wordt voor het eerst uitgeprobeerd. De lijn van het systeem hangt er een beetje onhandig bij en Laurens en Dave proberen het te ontwarren. Ineens ontrolt het systeem zich spontaan en Dave loopt een flinke snee op in zijn hand. Het is ernstig en hij moet van boord. Even later zit Roeland met zijn vinger vast in het rolsysteem. Hij roept om hulp en wordt snel bevrijd. Het bovenste kootje van een van zijn vingers staat haaks. Roeland heeft meer mazzel dan Dave; hij knakt zijn kootje eenvoudigweg terug en gaat door met zijn werk. ‘Nee hoor het doet geen pijn’, beweert hij naderhand.

De ochtend van de eerste racedag staat een oude man in spreidstand met één voet op de wal en één op een schip. Even twijfelt hij, maar dan kiest hij voor de kant. Ongelukkigerwijs slipt zijn achterste voet weg. Hij valt achterover, mist op een haar na met zijn hoofd het schip en verdwijnt in zijn geheel onder water. Samen met zijn zoon Greg help ik hem weer op de kant. Deze twee Amerikaanse mannen blijken de gelukkige eigenaren te zijn van een zelf gebouwd schip. Drie jaar lang hebben ze lopen timmeren, lassen, schaven en schuren. Resultaat: een prachtig mooi klassiek uitziend scheepje van 57 voet lang dat de naam Cameraderie draagt.
Die dag vaar ik met ze mee, maar ik heb na een uur op het water al spijt. De op de wal zo vriendelijke en spontane schipper Greg is veranderd in een regelrechte neuroot. De meeste schepen zijn al heerlijk aan het zeilen. Cameraderie vaart op de motor: rondje, na rondje, na rondje. Elk schip dat binnen een straal van 50 meter komt, jaagt Greg de stuipen op het lijf, vooral als ze hun koers met een paar graden wijzigen: ‘Waar gaat DIE nu weer naartoe ? Oh en kijk DAAR nou !!!’, roept hij uit. ‘DAAR’ varen twee boten op tien meter afstand naast elkaar, onderwijl dagen de bemanningen elkaar vrolijk uit. Ze tillen hun T-shirts op en gooien met water. Ik denk ‘Ah, gezellig, die hebben dikke pret’. ‘Onverantwoord’, zegt Greg. Okay veiligheid boven alles. En tuurlijk, je eigen gebouwde jacht niet al tijdens de eerste race aan barrels willen varen. Maar dit gaat toch wat ver. Ik begin mijn geduld te verliezen.
Rekening houdend met Gregs licht ontvlambare staat van zijn, vraag ik voorzichtigjes wat zijn plan is. Hij vertelt wat hij niet wil: degene zijn die een gat ramt in xc3xa9xc3xa9n van die superjachten van een paar tiental miljoen dollar en hij wijst naar Velsheda, Shamrock, Windrose en nog een paar prachtige klassieke schepen.
Pas na anderhalf uur hijsen we de zeilen. Al snel blijkt dat niet alleen Greg maar ook Cameraderie traag is, zo traag dat we kort na de start meteen achteraan liggen en bij de eerste (beneden)boei al zijn ‘gepakt’ door de schepen die na ons gestart zijn. Toch is Greg in zijn sas, hij heeft dan ook eindelijk zijn zin: er is geen schip meer in onze buurt te bekennen. Ramkoersen uitgesloten, dus Greg zet de autopilot aan en gaat er lekker bij zitten. Het schip slingert van 180 graden naar 120 en weer terug. Waar de kleine koersveranderingen van andere schepen hem in de stress joegen, maakt Greg zich over een koers verandering van 60 graden geen zorgen. Typisch een voorbeeld van wel-de-splinter-in-het-oog-van-een-ander-zien-maar-niet-de-balk-in-je-eigen. Maar ja, Greg heeft na al die hilariteit ook wel wat rust nodig.
Lang rustig blijft het niet en nu pas begrijp ik Gregs angst om tegen een superjacht aan te varen. Bij het ronden van de tweede boei heeft Greg opnieuw alle ruimte van de wereld, maar weet hij het schip op miraculeuze wijze tegen het oranje gevaarte aan te zetten. ‘GOD DAMM IT’, schreeuwt Greg. Er is niemand in de buurt. ‘Gewoon doorvaren dus’, beslist Greg. Niet erg sportief, maar wel verstandig. We zijn namelijk al zo lang aan het varen dat het spannend wordt of we wel binnen de benodigde 6 uur zullen finishen. Vlak voor het ronden van de een na laatste boei, zien we aan de horizon een motorboot varen met op het voordek een boei. Zijn ze het veld al aan het ruimen ? Zou het wedstrijdcomité wel weten dat wij nog op het water zitten ? Greg vraagt om duidelijkheid via de marifoon. ‘Kom maar naar de finish’, zegt een stem aan de andere kant, ‘de laatste boei hoeft niet meer, is gezonken’. ‘Ligt op het voordek van die motorboot’, corrigeert Greg. Cameraderie heeft het niet gered. Teleurgesteld zet Greg koers naar de finish. Geen werf, waar hij een klacht in kan dienen over de traagheid van zijn schip. Maar zijn enthousiasme is onuitputtelijk en bewonderenswaardig. ‘Ik heb vandaag veel geleerd en dozijnen ideeën opgedaan voor verbeteringen’, is Gregs conclusie voor deze dag.

De tweede wedstrijddag ben ik uitgenodigd aan boord te komen van een 58 voet lange John G. Alden schoener uit 1928: Charm III. Zestien jaar lang lag dit schip op het strand van Anguilla en is er aan gesleuteld om het weer vaarklaar te maken. Het schip ligt sinds augustus 2001 weer in het water. Eventjes schrik ik als Laurie (eigenaar van een cafe op Anguilla) me in de haven nog vertelt dat de bemanning van Charm III pas een half jaar zeilt en eigenlijk geen knoop kan leggen. WEER zo’n boot als Cameraderie ? OH NEE ! Ik voel een impuls om van boord te stappen, maar mijn nieuwsgierigheid wint het.
Er staat die dag een stevige puist wind. ‘Aaaah, echt schoenerweer !’, zegt onze schipper Richard tevreden, als we onder vol zeil het water over vliegen. Hij zit ontspannen met een sigaretje aan lijzijde en stuurt met xc3xa9xc3xa9n hand. Ook Laurie is zichtbaar in zijn sas. Voor iemand die pas een half jaar zeilt, doet hij het behoorlijk goed. Veel later toont hij een Caribisch 10 dollar biljet met een plaatje van een schip. ‘Warspite’ staat eronder, een beroemd Caribisch vrachtschip. ‘Is van mijn vader geweest, tot het schip in 1986 door orkaan Klaus in duizenden stukjes is geslagen.’ Het zeilen zit dus in Lauries bloed.
Het is een heftig dagje. Spinakers exploderen. Palmyre, een Truly Classic 80, ligt stuurloos voor de kust en prepareert de noodstuurinrichting. De J-klassers Shamrock en Velsheda nemen het zekere voor het onzekere en zetten geen spinaker (a 40.000 dollar). Er zijn blijkbaar toch grenzen aan welvarendheid. Niet voor Windrose; op alle voor de windse trajecten gaat daar de witte spinaker omhoog en het schip gaat die dag ruim als eerste over de finish. Aan boord blijdschap alom, want op de eerste racedag, had Windrose nog van Velsheda aan de broek gekregen. Nu gaat het er dus om spannen. Haalt Windrose ook op de derde en laatste racedag als eerste de finish dan heeft het schip de beste rondetijd zeker in haar zak.

Dat zou ik wel willen meemaken. Maar Windrose is een opvallend schip. Er zijn meer mensen die mee willen. Sterker nog: ze staan in rijen van tien opgesteld. De lucky one’s krijgen de kans om mee te zeilen: maar dan wel voor maar één dag. Ik weet het, ik weet het, ik heb mijn dag aan boord van Windrose gehad. Toch wordt het nu dus wel erg spannend en in de ochtend van de laatste racedag vraag ik met mijn allerliefste stemmetje of ik toch nog een keer mee mag. Hartelijk wordt mijn verzoek niet ontvangen. Maar na enig overleg en gemurmel, krijg ik toch, zij het schoorvoetend, toestemming.
Echt welkom voel ik me niet. Bovendien is de spanning aan boord om te snijden. Het laatste wat ik wil is nu ook nog mensen in de weg lopen. Aangezien de races zijn uitgesteld (er staat geen wind en de ene na de andere tropische regenbui treft het eiland), besluit ik van boord te gaan en te wachten op het hervattingssein van de Antigua Yachtclub; de rode vlag voor het clubhuis gaat dan naar beneden.
Als ik echter wat later weer aan boord wil stappen zie ik een groot gapend gat op de plek waar Windrose lag. Windrose is zonder mij vertrokken. Mijn energie vloeit in een paar seconden uit mijn lijf. Even denk ik werkelijk dat ik dood ben. Hoe kan ik zo stom zijn ! ‘Een voorzeil moest nog verwisseld worden, dus we vertrokken die dag wat eerder’, hoor ik achteraf. Beduusd en lichtelijk verblind wankel ik over de steigers, waar ik Tom tegen kom. Hij vaart als bemanningslid mee op Victorie of Strathearn (een 130 voet Langan ontwerp kits) en nodigt me uit die dag mee te gaan.
Verward stap ik aan boord. Waar ben ik in vredesnaam ? Wie zijn die mensen ? Ik vergeet me voor te stellen. Ik hoor hier niet te zijn. Ik zie grote glanzende winches van een meter doorsnee. ‘Heb ik al gezien’, denk ik blaséen ontevreden. Ineens wil ik naar binnen en ik trek aan de deur. Geen beweging. Ik trek en duw, nada ! Een jongen loopt naar me toe en helpt. Zei hij nou ‘Sesam open u’ of wat ? In elk geval: de deur gaat automatische open.
Binnen is de plek waar ik mezelf weer tot de orde weet te roepen. Ik zie een grote loungetafel waaraan vijf jongemannen ontspannen praten en kranten lezen. Wat verder zit een oude man met kleine lichtblauwe pretoogjes in een grote stoel. ‘Are you allright ?’, vraagt hij vriendelijk. ‘Yes, yes, thank you !’, lieg ik snel. Ik zie een met hoogpolig tapijt beklede vloer en mahoniehouten wanden. Ik ontdek marmeren badkamers, prachtige schilderijen, kristallen glazen en met schitterende schotse motieven beklede stoelen. ‘Dit is geen boot, dit is het paradijs’, zegt een stem in mijn achterhoofd.
Het verbaast me niet dat de eigenaren (Sandra en Allistar) Engels zijn. Er is niet veel veranderd sinds de tijd dat de Engelsen met hun theeservies naar de tropen gingen. Overal waar ik kom, ontmoet ik lieve vriendelijke en vooral relaxte mensen. Ik word me bewust van mijn onbeholpenheid. Beschaamd zet ik Windrose uit mijn hoofd en geniet ik de rest van de dag van de luxe en het geweldige gezelschap aan boord van dit schip.
En Windrose ? Net als de eerste dag lukt het de bemanning niet om als eerste te finishen. De achterstand ten opzichte van J-klasser Velsheda is zelfs zo groot dat Velsheda de prijs voor de best elapsed time wint. Heeft Hollands Glorie gefaald of is er een andere verklaring ?’, vraag ik aan Dijkstra. ‘Dit jaar zaten er veel meer tegenwindse rakken in het parcours dan voorgaande jaren. Daar vaart een schoener nu eenmaal niet zo sterk terwijl een J-klasser als Velsheda daar juist op is gebouwd. Ik vermoed dat hiermee in de rating geen rekening is gehouden, maar zeker weet ik het niet, want de Antigua Yacht Club houdt de formule geheim. Ik denk ook niet dat je de Classic Week als voorbode moet beschouwen wat betreft het wel of niet halen van het Transatlantische record. Lange afstand zeilen is wel wat anders dan die korte snelle rakken om de boeien. Om het record te verbreken moet Windrose gemiddeld ruim 10 knopen varen. Als alles heel blijft en het weer zich volgens de statistieken gedraagt (weinig in-de-windse rakken) dan zit het erin. Daar steek ik mijn hand voor in het vuur.’

Meer informatie:
www.hollandjachtbouw.nl
www.gdnp.nl

Dit verhaal stond eerder in Nautique, 2002

Advertenties

Een gedachte over “Strijden in stijl

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s