van antropofische omeletten…

Recensie: Ontwikkelingsstoornissen bij kinderen: Medisch-pedagogische begeleiding en behandeling – door M.H. Niemeijer, M. Gastkemper en F.H.M. Kamps (redactie)

door Selma Ruiter

Dit boek kan alleen maar bedoeld zijn voor de fundamentalisten onder de Steinerianen! Laat ik dit meteen duidelijk stellen, want de titel én ondertitel doen dit namelijk niet voor u.

De inhoud is volledig gebaseerd op de antroposofische denkbeelden van Rudolf Steiner. Volgens de korte beschrijving op de achterkant, worden in deze derde en herziene uitgave ontwikkelingsproblemen vanuit een geïntegreerde medische, orthopedagogische en psychologische hoek benaderd. Deze integratie van onderscheiden vakgebieden levert een met gebakken lucht gevulde omelet op die spirituele menskunde wordt genoemd. Ik heb verschillende problemen met dit boek, ik zal de belangrijkste noemen, beginnend met de vorm en opbouw en vervolgens zal ik mij beperken tot enkele specifiek inhoudelijke bezwaren.

De eerste voorwaarde waar een goed boek aan moet voldoen is een goede titel. Een goede titel zou de lading moeten dekken. Een potentiële lezer krijgt dan de juiste verwachting ten aanzien van de inhoud het boek. Lukt dit niet alleen met de titel, dan kan eventueel een ondertitel toegevoegd worden. In de vorige twee edities van dit boek was de ondertitel nog ‘Opvoeding en behandeling in de heilpedagogie’. Naar mijn idee had deze ondertitel waarin het antroposofische karakter naar voren komt, zeker gehandhaafd moeten blijven. Alleen al om ervoor te zorgen dat dit boek niet per ongeluk in handen valt van studenten, docenten en onderzoekers die op zoek zijn naar een goed onderbouwd, helder en praktisch handboek over ontwikkelingsstoornissen bij kinderen met aanwijzingen voor begeleiding en behandeling, gebaseerd op algemeen aanvaarde empirische wetenschappelijk inzichten.

Een volgende belangrijke voorwaarde voor een goed boek is een logische opbouw. Dit boek heeft geen logische opbouw. Meest opvallend is dat pas in het laatste deel, deel III, wanneer nota bene de diagnostiek en behandeling al besproken zijn (deel II), het belangrijkste onderwerp van het boek aan bod komt, namelijk ontwikkelingsstoornissen en -problemen bij kinderen. Dit alles onder het nietszeggende kopje ‘Specifiek’.

Indien gepretendeerd wordt dat dit boek gebaseerd is op wetenschappelijke denkbeelden (Antroposofie kan gezien worden als spirituele wetenschap…’ pag. 5) moeten op z’n minst de feitelijke uitspraken en opgevoerde bewijzen onderbouwd worden door gedegen onderzoek of moet hiernaar worden verwezen. Dit gebeurt nauwelijks, op een paar literatuurverwijzingen naar Steiner na. Ernstig is ook dat bij het nalezen van de literatuurlijst na elk hoofdstuk, met grote regelmaat verwijzingen worden genoemd die niet als zodanig terugkomen in de tekst, maar waarvan ook de inzichten niet terug te vinden zijn. Het is niet ondenkbaar dat enkele auteurs met betrekking tot deze spookverwijzingen hiermee uiterst ongelukkig zullen zijn. Hoewel ik vermoed dat de meesten van hen hier nooit achter zullen komen. Want ook al komen ze per vergissing in aanraking met dit boek, dan is het nog steeds hoogst onwaarschijnlijk dat ze verder komen dan bladzijde twee, laat staan dat ze ooit bij de literatuurlijst aankomen. En dat is ook voor iedereen maar het beste.

De lezer verwacht een serieuze uiteenzetting over ontwikkelingsstoornissen bij kinderen, maar wordt op de tweede bladzijde reeds geconfronteerd met het begrip incarnatie en individualiteiten die lange reizen door planeten en sterrenwerelden maken. En zo is dit hele boek een meer dan 200 pagina’s lange esoterische uiteenzetting; de tekst glijdt tussen je vingers door de afvoer in. Maar misschien geldt dat alleen voor lezers die nog onvoldoende incarnaties hebben doorgemaakt.

Zo vraagt men zich in hoofdstuk twee over de ontwikkeling van het jonge kind, het volgende af: “Waar zijn die gebits-etherkrachten gebleven? Zijn ze verdampt of zoekgeraakt?” Gelukkig niet, want “(…) het kind kan ze gebruiken als ‘vrije etherkracht’ als vorm- en structuurkracht die zijn ziel ter beschikking staat om zich gevormde en gestructureerde beelden te maken van zijn ervaringen”. En “Bij de zestienjarige echter is deze ik-instantie nog onvoldoende binnengetrokken in het onvoorspelbaar polariteitenorganisme van de ziel.”, weet het auteursechtpaar Dekkers. In hoofdstuk 6 over ‘Constitutiebeelden’ krijgen we een lesje pseudo-scheikunde met name over de “(…) de rol van zwavel- en ijzerprocessen in de lichaamseiwitten en het belang daarvan voor het geheugen”. Benadrukt wordt dat het gaat om het ‘dynamische proces’. We lezen dat “tot nogtoe geen aantoonbare zwavel- en ijzerverschillen gevonden zijn in het lichaam”, maar dit hindert de auteurs niet om zonder enig voorbehoud een begeleidings- en therapieschema (compleet met voedingsadviezen) te presenteren.

Misschien is het beter om de goede punten van dit boek op te noemen. De tekening op de omslag is erg mooi en het boek laat goed zien hoe zonder enige vorm van empirische oriëntatie het moeilijk is een enigszins verantwoord boek over kinderlijke ontwikkelingsproblemen te schrijven

Selma Ruiter is als promovendus werkzaam bij de afdeling Orthopedagogiek van de Rijksuniversiteit Groningen. Haar onderzoek gaat over het ontwikkelen en aanpassen van diagnostische instrumenten voor het meten van vroegkinderlijke ontwikkeling. Dit artikel verscheen eerder in het tijdschrift ‘Markant’. Ruiter: “Er kwam ook een reactie op van de auteurs van het boek. In de trant van: ‘dat zo’n jong meisje al zo verpest is door de wetenschap!’ Mooi compliment toch?”

Advertenties

2 gedachten over “van antropofische omeletten…

  1. Michel Gastkemper

    Ter nadere informatie geef ik hier mijn volledige reactie in het decembernummer van 2004, dan kan men zich zijn of haar eigen oordeel vormen.
    In november verscheen in Markant een curieuze recensie door Selma Ruiter onder de titel ‘Ontwikkelingsproblemen op antroposofische leest’. Het ging over de derde, geheel herziene druk van Ontwikkelingsstoornissen bij kinderen, waarbij ik deel uitmaak van het redactieteam.
    Deze recensie had kunnen beschrijven dat dit een boek is met zestien hoofdstukken, geschre-ven door dertien verschillende auteurs. Deze auteurs zijn GZ-psycholoog dan wel arts (AVG: artsen voor verstandelijk gehandicapten, kinderarts, huisarts en kinder- en jeugdpsychiater), praktisch werkzaam in een door de antroposofische menskunde gexc3xafnspireerde zorg aan kinde-ren. Negen hoofdstukken beschrijven specifieke ontwikkelingsstoornissen bij kinderen, drie gaan in op methodische aspecten bij de behandeling, de eerste vier hoofdstukken handelen over de gezonde kinderlijke ontwikkeling.
    Vervolgens had de recensent in kunnen gaan op de verschillen met de vorige drukken, het gaat immers om een geheel herziene druk, en kunnen onderzoeken welke ontwikkeling hierbij wel of niet geboekt is.
    Tot slot had een algemeen oordeel kunnen volgen over de waarde van de antroposofische be-nadering van kinderen met een verstandelijke beperking en/of psychiatrische problematiek. Deze zorg wordt al meer dan zeventig jaar binnen officixc3xable kaders in Nederland gepraktiseerd, met een gedifferentieerd aanbod aan nu ruim 2500 kinderen en volwassenen in circa 65 lande-lijk werkende voorzieningen voor murale zorg, dagopvang, onderwijs, werk, ambulante en poliklinische ondersteuning.
    In plaats van dit alles gaat de recensente te werk als de stier die is getroffen door de spreek-woordelijke rode lap. Als verblind bestempelt ze de inhoud van dit boek in haar allereerste kwalificatie meteen tot ‘een gebakken-lucht-betoog’, terwijl zij op het eind als het enig prij-zenswaardige van het hele boek de tekening op de omslag roemt.
    Kan het cynischer? Jawel hoor, want dan zeg je tussendoor – even onwaar als insinuerend – dat deze derde druk ‘een meer dan tweehonderd pagina’s lange esoterische uiteenzetting is’. Alsof we nog leven in het tijdperk van banvloeken, waarin het wetenschappelijk besef van de lezer onvoldoende wordt geacht om zelfstandig de concepten en hypotheses te kunnen beoor-delen waarvan de auteurs in hun praktijk gebruik maken.
    Respect voor de auteurs en begrip voor het expliciteren van hun uitgangspunten, werkwijzen en resultaten is wel het minste wat een lezer van een recensie mag verwachten. In het voor-woord geeft de redactie aan open te staan voor kritiek ter verdere verbetering, maar een ver-kettering omwille van hun mensvisie helpt hen hierbij niets.
    In Nederland heerst vrijheid van meningsuiting, werd iedereen de afgelopen maand niet moe om te beklemtonen. Niemand kan het recht worden betwist om zijn mening te geven. Dat geldt ook een Groningse promovendus. Maar zoals iedereen weet is niet iedere mening ook even zinvol. Een redactie van een tijdschrift kan er in zo’n geval natuurlijk van afzien, ook als zij daarom heeft gevraagd, om tot publicatie van de geleverde kopij over te gaan. Zij behoudt te allen tijde de vrijheid en de verantwoordelijkheid om iemand te benaderen die het gegeven onderwerp recht doet. Die kritiek, een vakblad waardig, houden wij graag te goed.
    Michel Gastkemper, Rotterdam

  2. Peter

    Helaas: Selma Ruiter laat de lezer niet weten, waarom ze de inghoud van het boek slecht vind. Dat een boek gebaat is bij een goede titel, okee, en dat de structuur van dit boek mogelijk onlogisch in elkaar zit, best mogelijk, maar wat is er mis met de inhoud?
    Voor de goede orde: ik zeg niet, dat deze deugt; ik ken het boek niet. Maar de “recensie” schermt met Haha, wat gek als argumentatie.

    Mbt het volgende kan ik Selma wxc3xa8l volgen: ze stelt, dat het boek niet wetenschappelijk is. De vraag is, of de auteurs dit claimen. De term ‘spirituele wetenschap’
    werd gebruikt. De vraag is dan, of de auteurs pretenderen, dat dit soort wetenschap zich van dezelfde methofiek etc. bedient als “de” wetenschap. Hebben ze die pretentie, dan heeft Ruiter een punt, anders is het een taalkundig probleem. Zoiets als is een zeekoe wel een koe? Nee, een zeekoe is geen koe.

    Waar m.i. van belang is, is niet (alleen) de vraag, of wat in het boek staat “waar” is, maar om de vraag, of het werkt.
    Als Ritalin een middel is, dat wetenschappelijk is getest en waarvan men de werking kent, dan zegt dat nog niets over het nut van het middel in vergelijking met medische/”medische” behandelmethoden uit onwetenschappelijke hoek. Als iemand voor een kind, dat door een arts Ritalin krijgt voorgeschreven, door een EO-christen wordt geholpen met gebed, of door een new ager met het “zenden van positieve energie”, etc…
    dan ben ik “als mens” geinteresseerd of het kind er gelukkiger/evenwichtiger/… van wordt. Het wetenschappelijke verhaal van dubbelblindonderzoek,
    testen, etc. is een ander verhaal.
    (Ben ik nog bij het onderwerp?)

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s