Aardbeien, jaja!

“Arebei, mooie arebei.”. We horen dit soort aanprijzingen nooit meer. De straatroep is verdwenen. Over de teloorgang van een vocaal juweel.

Door P. van der Eijk

“Bloemen in alle kleeueeueeuren, anjers en roooozen, kamerplanten”. Ik mocht het graag luid en onverwachts roepen, op ongelegen ogenblikken. Mijn werkomgeving werd er door opgeschrikt. Ook ” Hebbie nooooog haaaaazen- en konijnenvellen” deed het goed, alsook “Vodde, vodde, ouwe rommel”. Voor ”Mooooooie arebei” is het nu de tijd maar ik heb het nog niet mogen horen. Straatroepen zijn verboden. Sinds de nering van venters deftig ‘ambulante handel’ heet mag men op straat niet meer luidkeels zijn waren aanprijzen. De gemeenten hebben dat verboden. Te onbeschaafd, te luidruchtig, hinderlijk
Bromfietsgeknetter, oorverdovende versnippering van boomstammen, luidkeels ge-o.h. op mobieltjes, alles mag. Maar de straatroep is gesmoord. Zelfs op de markt mogen kooplieden niet meer roepen. Nee, het is gedaan met die rauwe, soms onverstaanbare, mooie, lelijke kreten. Jammer, jammer. Bijna zou ik het willen schreeuwen. Maar het mag niet.
Even heb ik het leven van dat fenomeen nog proberen te verlengen. Maar het was kunstmatig, een schreeuw van protest, ter herinnering. Want ik heb geen bloemen in alle kleuren, ook geen aardbeien noch wil ik een haze-of konijnevel. Mijn straatroep, in eigen omgeving, mocht wel, als een milde afwijking, Het luchtte mij op en mijn collega’s wenden er aan. Een enkeling fluisterde weleens: Gilles de la Tourette. Maar een ander zei dan: ik hoor geen vieze woorden, nee hoor. Ik mocht ermee doorgaan. Journalisten zijn tolerant.
Straatroepen: ze hebben me van kindsbeen af geboeid. De fascinatie is in mijn vroegste jeugd begonnen, ik weet het moment nog. Als vijfjarige zat ik mokkend achter mijn koud geworden bord met aardappels en spinazie, ik wou geen hap meer nemen. Buiten, in het schemer, klonk ineens een luide, rauwe, geheimzinnige kreet. ”Wat roept -ie”. Vroeg ik. Mijn vader, zonder aarzelen:”Heb je noooooog: stoute kinderen”. Binnen drie minuten was mijn bord leeg. Jaren later hoorde ik dat de man:”Zeelandseeeeeeee mosselen” had geroepen. Ik heb mijn vader deze toch rare streek allang vergeven: nog niemand had van Spock gehoord.
Terwijl ik die straatroepen nog een beetje in leven hield besefte ik dat het was afgelopen. Handkarren, die erbij horen, zie je ook al niet meer, evenmin als bakfietsen, tenzij in de betere buurten, om kinderen in te vervoeren.
Het waarom van een verbod is mij een raadsel: vergeleken met de kakofonie om ons heen is de straatroep een vocaal juweel..
Omdat ik er meer over wil weten wend ik me tot het Meertens Instituut, dat onderzoek doet naar taal en cultuur. Dat valt tegen: ze zeggen niets te hebben. Dat kan niet. Het Meertens Instituut immers is wat in de boeken van Voskuil Het bureau heet. Vandaar dat ik weet dat ze er over de futielste zaken onderzoek hebben gedaan en materiaal hebben. Ze weten er alles over de geschiedenis van de nageboorte van het paard, de historie van de dorsvlegel, het verleden van de kniezeis. Ze zijn gedocumenteerd over kabouters, en de kasten puilen uit met materiaal de kerstbal. En dan niets over de straatroep? Gewoon onwil, anders is het niet.
Je kan wel zien dat Koning weg is. Hij zou de op de onwelwillendheid met een enkele dodelijke opmerking richting personeel reageren waarna zij vast voor enkele weken ziek thuis zouden zijn. Dan zou Koning de gegevens zelf -enigszins mokkend, dat wel – opdiepen.
Zelfs in het boekje De geschiedenis van de Markt- en straathandel van Jac. van de Kar (geen woordspeling) wordt over de straatroep nauwelijks gerept. Ouderen weten ze zich vaak te herinneren. “Lekkere paling, zo uit de rokerij,” krijg ik dan te horen. Of: “Heerlijke garnalen, haring als zalm”. Een 94-jarige herinnert zich: “Hier is Verkade met koek beschuit en chocolade”. Ook:” Mooie mimosa, zeven stuivuhr” en “Gladioluhhhhh”. Zo waren er honderden. Waar ik een hekel aan heb? Aan de Sterspot op radio en tv. Het is waar: ik verlang wel vaker naar de wereld van de schoolplaat.

(herinnert u zich nog straatroepen? p.eijk@planet.nl)

Dit artikel stond oorspronkelijk in NRC-Handelsblad, 6 juni 2005. Zelf moet ik onmiddelijk denken aan de Utrechtse marktkoopman die door mijn vader + collega’s altijd ”jaja” werd genoemd. Op de markt op het Vredenburg weerklonk zijn roep: “Mooie bananen, jaja. Drie stuks mensen. jaja. Voor een gulden, jaja.”etc. , jaja.”

Ludiek figuur, heb hem ook wel eens in actie gehoord.

Advertenties

5 gedachten over “Aardbeien, jaja!

  1. Peter

    O, ik zie nu pas, dat het woord straatroep voorkomt in het aardbeienstukje. Stef was niet zo’n roepert, voor zover ik me kan herinneren.
    Niet echt een straatroep, maar toch ludiek: Piet Bos van de Duizendenxc3xa9xc3xa9n Bazar op het Broersveld (of Broersvest,
    dat haal ik me hele leven lang door elkaar). Naast de DeEB zat ooit een even groot zaakje, de Free Record Shop. Toen nog de enige vestiging, dacht ik.
    Enfin (mda M. Bril). Iedere keer als ik bij de DeEB langs ging om te vragen, of er al een nieuwe Suske en Wiske was zei Piet Bos: “Morgen.” Piet! Bos!

  2. Peter vdL

    Wij schillen aardappels, dat is gewoon ons vak!
    Wij stampen dan die aardappels tottene ene prak!
    Aardappels, dat is ons vak, aardappels hoezee,
    aardappels, dat is ons vak, want wij maken puree!

    (lied van de aardappelmannen uit Zwaneker)

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s